header

Het ras > Oorsprong en evolutie

Oorsprong en evolutie

De oorsprong van het Belgisch Witblauw Ras ligt, zoals de naam doet vermoeden, in België.

België telt in 1846, het jaar van de eerste grote landbouwtelling, ongeveer 1,2 miljoen runderen. Het is een bont gezelschap, resultaat van eeuwenlang ongeheerst en intuïtief kruisen, aangepast aan de lokale mogelijkheden en wensen. De georganiseerde rundveeverbetering gaat in België omstreeks 1840 aarzelend van start waarbij getracht werd een tweelelig-type (vlees en melk) te bewerkstelligen uit een zeer heterogene populatie runderen van het melktype. In de loop van de 2e helft van de 19e eeuw heeft dit een versnelling doorstaan doormiddel van inkruisen met een ander ras, het Shorthorn-ras. De Shorthorn runderen komen uit Groot-Brittannië uit het graafschap Durham. De Shorthorn wordt daarom ook wel een Durham genoemd. In die periode was dit ras erg populair met een grote verspreiding in West-Europa en Noord-Amerika.

Gedurende de jaren vermindert de inmenging van de Shorthorn waardoor het al voor het einde van de 19e eeuw is verdwenen. Het huidige Belgisch witblauw-ras heeft echter zijn positieve eigenschappen (sierlijke lijn, zijn vruchtbaarheid en diversiteit aan kleuren; blauw, wit en zwart) overgeërfd en aan het einde van de 19e eeuw begint men een “blauw” ras te ontwikkelen, ontdaan van de negatieve eigenschappen van de Durham.

Ten tijde van de eerste wereldoorlog (1914-1918) hadden de boeren andere zorgen en kwam de fokkerij op een zijspoor. In 1919 werden selectiecriteria uitgewerkt door de officiële instanties en kwam het selectiewerk terug op gang. Dit kwam tot stilstand gedurende de tweede wereldoorlog, rond 1945 is de draad weer opnieuw opgepakt. De doelstellingen van deze selectie waren duidelijk, er werd geselecteerd op een “dubbeldoel-type”: brede, grote koeien met een middelmatige bespiering en een goede melkproductie (4.000 ltr.).

Deze selectiedoelstellingen werden strikt aangehouden tot in 1950.
De periode 1950-1960 is een overgangsperiode geweest die voortekenen vertoonde van een nieuwe richting waarin de Belgisch witblauwe zich ontwikkelden.
Vanaf de jaren ’60 werd de vraag van de consument groter naar rood vlees en de edele vleesdelen van het rund. Mede hierdoor vond de definitieve koerswijziging plaats tussen 1960 en 1970.
Eerst bij de stieren, en nadien bij de koeien, wordt duidelijk de voorkeur gegeven aan een ontwikkeling van de bespiering. Het antwoord op deze selectie is verbluffend. Er verschijnt een nieuw type met zowel de kenmerken van een sterk ontwikkelde bespiering (schouders, schoft, rug, lenden, achterhand), als een groot formaat, een fijn maar stevig beendergestel, een mooie harmonie van de lijnen met ronde ribben, een gebogen maar stevig achterdeel, verscholen heupen en een losse staart.

Het huidige BELGISCH WITBLAUW ras is ontstaan in 1973 toen de splitsing van het ras van Midden en Hoog België in 2 verschillende takken doorgevoerd werd: het vlees type en het tweeledige type ook wel het dubbeldoel type genoemd.

 

Vlees type

De meerwaarde die gegeven werd voor bevleesde runderen heeft de fokkers aangespoord om te selecteren op bespiering.
Hierdoor is het Belgisch Witblauwras, dat oorspronkelijk gemengd was, een echt vlees ras geworden. De voornaamste eigenschappen zijn: de buitengewone ontwikkeling van de bespiering, de kwaliteit van het vlees, het formaat, de vroege ontwikkeling, de goede voederconversie, de uniformiteit en het gedrag.

 

Tweeledige type

Sommige fokkers blijven dieren selecteren die melk- en vleesproductie combineren. Deze selectie is gelijklopend gebeurd met de selectie van het vleestype door gebruik te maken van volledig van elkaar verschillende stierenlijnen.
Het Blauwe rund van het Noorden, dat duidelijk op verschillende plaatsen thuis hoort, maakt deel uit van dezelfde groep van dieren en wordt aangetroffen in de streek van Maubeuge in Frankrijk.
Sinds 1999 zijn er, binnen het kader van het programma plattelandsontwikkeling financiële middelen vrijgemaakt die voor een stijgende interesse in het BWB mixte type hebben gezorgd. In 2005, waren er ongeveer 150 fokkers die vooral in de provincies Henegouwen en Brabant (België) gelokaliseerd zijn. Binnen de dubbeldoel-tak zelf bestaan twee types, volgens het genotype:

 

Genotype: mh/mh
Deze dieren zijn genetisch identiek aan de dieren van het zuivere vleestype. Zij hebben een selectie gevolgd die vooral op melkproductie en gemakkelijke kalvingen gebaseerd is. Zij produceren tussen 4200 en 4800 liter melk.

 

 

 

 

 

Genotype: mh/+ of +/+
Deze dieren, die meer melkproductiepotentieel hebben, produceren gemiddeld 5400 tot 6000 liter melk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In Nederland deed het Belgisch witblauw ras hun intrede ongeveer vanaf de jaren 1970. De Hollanders waren specifiek geïnteresseerd voor het vleestype, want aan melkkoeien was in Nederland in die tijd, en nu nog, geen gebrek. Eerst kleinschalig, van een paar tot een 10-tal per veehouder. Maar al snel werd ook in ons land de meerwaarde van het vleesras ingezien. De populatie groeide en de volwaardige bedrijven waren een feit.